Darek Foks, een openbaring

Een tijdje geleden schreef ik – zoals ook elders op deze website is te lezen – dat “halverwege de grauwe jaren negentig [van de twintigste eeuw] in een donkere kelder in het Poolse Wrocław, te midden van sombere, in het zwart geklede dichtende tijdgenoten een jonge vrouw in een felrode trui een ontroerend verhaal over een geïmagineerde liefde Amos” voorlas. Het was mijn eerste kennismaking met Olga Tokarczuk. Wat ik er toen niet bij vermeldde was dat ik op diezelfde avond nóg een eerste ontmoeting had, met een van die “sombere, in het zwart geklede dichtende tijdgenoten”. Zijn naam was Darek Foks en zijn optreden indertijd was een bijna even grote openbaring voor mij als dat van de latere Nobelprijswinnares. Darek Foks (geb. 1966) had juist gedebuteerd met de jubelend ontvangen dichtbundel Kappersgedichten. Die avond las hij enkele nieuwe gedichten voor. Maar hij had net zo goed een van zijn verhalen kunnen voorlezen, want Foks poëzie verschilt nauwelijks van zijn proza. Sindsdien droom ik ervan een ruimschootse bloemlezing van zijn werk samen te stellen. Hierna volgt een kleine proeve daarvan.

 

Waarom ik geen doodgraver ben

Ik ben geen doodgraver, ik ben timmerman.
Waarom? Misschien had ik ook wel
doodgraver willen zijn, maar ik ben timmerman. Ik werk
met doodgravers. Ik ontmoet er een:
hij begint met graven. Ik kijk eens goed naar zijn spade.
‘Ga zitten en neem een slok’, zegt hij. Ik ga zitten
en neem een slok. We nemen samen een slok. Ik kijk
naar de spade. ‘Er ligt een hoopje klei op.’
‘Ik wist dat er van iets te veel was.’
‘Aha.’ Ik loop weg en dagen gaan voorbij
en opnieuw kom ik langs. Het graven
schiet op, en ik zak ook steeds verder weg, en de dagen
eveneens. Ik kom langs. Het graf is
gegraven. ‘En waar is nu
die klei?’ Er is alleen nog
de spade. ‘Heb ik begraven’, zegt hij.
En ik? Op een dag denk ik aan
een lijkkist: van eiken. Ik zaag
planken. En spoedig heb ik een hele
stapel planken, ongeschaafd.
Daarna een tweede stapel. Nu nog een
schaaf, niet die ik in gebruik heb
maar een scherpe die in staat is kleur uit hout
en leven te halen. Dagen gaan voorbij. Het is zelfs
een meubel, ik ben een echte timmerman. Ik heb doorgezaagd
en nog heb ik niets gezegd
over het doden. Er staan twaalf lijkkisten,
ik schuif ze in de bestelwagen. En op een dag
zie ik bij het kerkhof een bestelwagen met spades.

[eerder verschenen in Heb medelijden, tijd, Uitgeverij Plantage, 2003]

 

Henry op het asfalt

Henry is overreden door een wals. Henry
is overreden door een metalen wals.
Een zware wals. Een wals van ijzer, staal en smeer.
Hij is helemaal over hem heengereden. Een wals
waar niets aan ontbrak.
Henry las over walsen. Er is veel over walsen
geschreven. Niet alleen over walsen
las Henry. Hij las ook veel
over vermenigvuldiging. Hij las over vermenigvuldiging
door geslachtloze voortplanting. Hij vond niet één nodige zin
over vermenigvuldiging door verplettering.
Niet één zin over aardse zaken. Niet één zin
over harde kerels. Niet één zin over walsen
die stuk zijn. En over schuttingtaal
in garages. Hij vond twee zinnen over hemzelf.
‘Er moet ergens een wals zijn voor Henry.’
En die was er. ‘Henry
moet opkrassen.’ En wij krassen Henry op.

[eerder verschenen in Raster 107, 2004]

 

De veterinairs van haar leven

1

Waar is de Maan? Wat is er gebeurd met de Zon? Waarom is de hond niet langer de beste vriend van de mens? Waarom draagt dat arme schepsel aan zijn nek het plaatje met het opschrift: JE MAG ME ALLEEN AAIEN IN AANWEZIGHEID VAN MIJN VETERINAIR? Waarom is dat opschrift gegraveerd in gotische letters? Wat maakt dat kleine wolken de vormen aannemen van grote dieren die allang zijn uitgestorven? En wie gaat mij vertellen, verdomme nog an toe, hoe ik dat allemaal weet? Het is immers donker.

2

Er staat een wind die de vraag uitsluit waarom er geen vogels vliegen. Ik controleer de deuren en de ramen en vraag me af waar zij kan zijn gebleven, of ze soms betere deuren en ramen heeft gevonden, en of je wel betere deuren en ramen kunt vinden.

‘Betere deuren’,  zei ze, toen we het nieuwe huis van haar ouders bekeken.

3

Ik vind een stapel enveloppen die we na ons trouwen hebben gekregen. Zij bewaart altijd dat soort dingen als aandenken, en ik vind die dan. In een envelop van de vrouw van een rijke orthopedist zitten bankbiljetten die nog in omloop zijn. Ik koop drie flessen wodka en een reservepotlood, want er zijn dagen wanneer ik in de zenuwen zit en dan heb ik een reservepotlood nodig om op te bijten.

‘Niet over homo’s schrijven, want straks plakken ze nog roze stickers op je; schrijf ook maar niet over feministes, want voor je het weet hebben ze je omsingeld en ruikt je overhemd naar vis; dat je het niet over veterinairs moet hebben, ben je een maand geleden te weten gekomen, dit is alleen om je eraan te herinneren.’ Zo luidt mijn horoscoop in ‘De Bink’, een tijdschrift voor binken.

Ik bijt op mijn potlood en kijk door het raam naar buiten.

‘Betere ramen’, zei ik toen we hier kwamen wonen en we de ramen bekeken.

Een gozer in een nat hemd zit een jonge, knappe man in een witte schort en rubberhandschoenen achterna. Uit de zak van de schort vallen voorwerpen waarvan het gebruik onbekend is. De gozer in het hemd zwaait met een hakbijl. Want hij heeft een hakbijl. Zijn silhouet en gezicht komen mij bekend voor. Het is de Onverschrokken Kattendoder, mijn vriendje van de lagere school.

4

Ik zou wel even naar buiten willen, maar op de muren zijn de laatste tijd opschriften verschenen die mij er gisteren toe hebben gebracht het langste potlood in de potlodenwinkel te kopen: VETERINAIRS, WAT ZIJN JULLIE VAN PLAN? HEB JE PROBLEMEN MET VETERINAIRSDOE ZE EEN MUILBAND AAN! WAT EET EEN VETERINAIR? EEN VETERINAIR EET VOORMALIGE PATIËNTEN VAN DE CONCURRENTIE, et cetera.

‘Werpt een veterinair een schaduw?’ vroeg de man die voor mij drie pakjes van de goedkoopste en allerhardste potloden uit Rusland kocht.

5

Ik zit, want ik zit graag, en ik teken dieren, denkend aan de veterinairs van haar leven. Ik teken een koe met zwarte vlekken, een biggetje met een krulstaart, een kat zonder vacht en een hond zonder poot (dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is.) Ik zou geen dieren moeten tekenen. Ik droom de hele tijd van dieren. Ik droom dat ik een dier ben. Ik weet niet eens welk dier. Ze stoppen allerlei voorwerpen in allerlei openingen van me, ze zeggen vreemde dingen en staren naar me alsof ik een slang ben. Ten slotte doen ze me inslapen. Ik droom ervan dat men mij man en paard noemt. Ik ren, ik ren en ik win. Veel van de mensen op de tribune hebben heel wat poen te danken aan mijn goede vorm.

6

Ze zijn met zijn tweeën en ze zijn snugger, ofschoon ze zich niet speciaal hoeven in te spannen om mij uit mijn evenwicht te brengen, want ik hink sinds mijn geboorte (ik hink helemaal niet, dat zeg ik zo maar, dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is.) Hun favoriete bezigheid is het voeren van eekhoorntjes.

‘Kom, laten we de eekhoorntjes gaan voeren’, zeggen ze.

En ze gaat mee, alsof ze nog nooit een eekhoorntje heeft gezien. En ze is immers zelf een eekhoorntje. Veterinairs weten dat een eekhoorntje het snelst afkomen op een eekhoorntje. Zijn ze niet snugger? De mensen zeggen dat er meer dan twee zijn, en dat er maar een op de honderd een wipneus heeft. Mij interesseren die twee.

7

Ik schrijf een gedicht waarin duidelijk de invloed te zien is van de veterinairs van haar leven op mijn leven:

DE MAN DIE WINDEN LIET ALS EEN PAARD

Moet je dat nou doen?
Hoezo?
Je weet best wat ik bedoel. Sommige mensen doen dat
niet. Vooral niet als ze met iemand praten.
Wat weet jij van mensen?
Ik kom ze hier en daar tegen. Ze vertellen allerlei verhalen,
betasten elkaar, soms schoppen ze elkaar
onder hun kont. Je herkent ze zo.
Wat weet jij van het herkennen van mensen?
Sommigen herken ik.
Wie van jullie verspreidt die gassen?
Hij. Zie ik eruit als een gozer die gassen verspreidt?
Wat weet jij van gassen?
Er was ooit zo’n oorlog.
Jezus, man, vind je ook niet dat hij winden laat als een paard?
Wat weet jij over Jezus?
Je hebt gelijk. Hij laat winden als een paard.
Wat weten jullie van paarden?

’s Nachts krijg ik bezoek van de geest van Walt Whitman.
‘Ga zo door’, zegt hij.

8

De veterinairs kun je indelen in inheemse en uitheemse. Met de inheemse weet ik wel raad. Je hoeft het de mensen maar te vragen. Anders gesteld is het met de uitheemse. Nog een geluk dat we in een gat wonen waar maar één weg doorheen loopt. Erger is het als er meer wegen zijn. Het valt nog niet mee de dag van vandaag een paar dappere figuren te vinden, die met honkbalknuppels in buitenwijken rondlopen op zoek naar witte vlekken in de duisternis. Vergeleken met anderen heb ik een vereenvoudigde opdracht: mij interesseert alleen een uitheemse.

Met die andere, die inheemse, weet ik wel raad. Ik hoef de mensen maar te vragen.

9

In de bar De Kreupele Hond (dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is) kom ik de plaatselijke Robert de Niro tegen en ik deel met hem mijn observaties.
‘Daar heb je een behoorlijke kluif aan’, zegt hij.
Ik geef hem gelijk.
‘Ze zitten overal, die lijperds in witte jassen. Krijg jij het daar nou niet van op je heupen?’, de Niro?’ vraagt de plaatselijke John Wayne, terwijl hij bij ons aan het tafeltje komt zitten. Ondertussen drinkt hij mijn bier op.
Ik geef hem gelijk.
Jammer dat ik niet in contact kan komen met de plaatselijke Marx Brothers. Ik had ze graag gelijk gegeven.

10

Ik ga naar de openbare leeszaal die een afdeling boeken voor veterinairs heeft. Ik ben op zoek naar dagboeken van veterinairs, herinneringen aan veterinairs en handboeken algemene diergeneeskunde, waar ik die bezweringen van hen uit wil overschrijven. Ik ben geïnteresseerd in plaatjes, want ik heb nog nooit een echte veterinair van dichtbij gezien. Ik ben ook niet vies van een lijst met tijdens de bezetting omgekomen veterinairs.

‘U kunt geen gebruik maken van deze afdeling,’ zegt de bibliothecaris.
‘Waarom niet?’
‘U bent geen veterinair,’ antwoordt hij.
‘Zeg, pas jij maar op,’ zeg ik.
‘Misschien wilt u iets over mensen zonder benen en kreupele honden?’ vraagt hij.
‘Ik zei dat jij moet oppassen,’ zeg ik.
‘Dat ze niet denkt dat er jou niets aan haar gelegen is, oetlul,’ voegt hij eraan toe.
Er verschijnen drie agenten en zij zetten mij op straat.
‘Dat is nu al de zevende vandaag,’ zeggen ze.

11

Ik struikel over een man zonder benen (dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is) en over een lijn die een oude vrouw verbindt met een hond zonder poot (dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is.) Die mensen hebben geen hoge pet op van veterinairs. En wat betreft die hond, dat ziet er niet nu niet bepaald fraai uit en is zelfs enigszins verdacht.

12

‘Waarom ik geen hoge pet op heb van veterinairs?’ Dat is simpel: ze werken met beesten, kloppen koeien op hun achtersten, brengen met behendige handbewegingen katten en honden in extase, bezweren nerveuzere schepsels, kijken een eigenaresse van een teckel, die denkt dat ze zo dadelijk ophoudt de eigenaresse van een teckel te zijn en even later te horen krijgt dat zij dat nog steeds is, diep in de ogen. Kortom, ze nemen het ervan en worden er ook nog voor betaald. Geen mens die zich daartegen verzet.

Dat zegt een man die is opgegroeid in het fletse licht van een aquarium.

13

‘Kopieermachine.’
‘Wat kopieermachine?’
‘Is hier ergens een kopieermachine?’
‘Ja.’

14

In het sinds tien jaar door mij gelezen periodiek Literatuur bestaat niet kom ik een gedicht tegen dat mijn favoriete gedicht wordt:

VETERINAIRS KOMEN NIET VERDER

Kijk, daar staan ze, geheel in het wit,
alsof de warmte hen niet verhit;
ze scherpen hun tanden, met hoge borst:
nog even en alles verandert in gehakt en worst.
Ben je niet gelijkgestemd,
dan word je met de waterslang verwend.
Zet je schrap. Doet dat geen deugd?
Sluit je aan bij de dappere jeugd.
Mocht je verliezen van de veterinair,
dan omzwachtelen we je facilitair

Ik maak er een kopie van en ga ermee naar de man die de bedrukking van T-shirts verzorgt. Ik bestel zeven witte T-shirts met dat gedicht erop, voor elke dag van de week één.

In afwachting van het realiseren van mijn bestelling lees ik een vernietigende recensie van een ondergrondse brochure met het programma van de radicale partij der veterinairs, in hetzelfde nummer van Literatuur bestaat niet.

De strenge criticus wijst op de overeenkomsten met de Risoluzione della Direzione Strategica della Brigate Rose.

‘Hoe zit het met die T-shirts?’ vraag ik.

‘Er stonden drukfouten in’, zegt degene die de bedrukking van de T-shirts verzorgt. ‘Ik kan zeven onderbroeken voor u maken met een erratum, gratis.’

15

‘Het is niet uitgesloten dat we hier te maken hebben met een serieus complot waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Speciale diensten hebben gisteren bekend gemaakt, dat in bepaalde delen van het land een verhoogde beweging van veterinairs is waargenomen. Uit analyse van de satellietfoto’s blijkt dat ze zich vooral op het noorden richten. We weten allemaal wat er zich in het noorden bevindt,’  zegt de burgemeester op fluistertoon. ‘We kunnen ze niet tegenhouden.’

‘Wat doen we met degenen die de andere kant op gaan?’ vraagt de pers.

‘Die veterinairs hebben onze speciale aandacht,’ antwoordt de burgemeester. ‘Daar weten we wel raad mee.’

16

‘De veterinairs richten zich op het noorden!’ schreeuwen de krantenjongens.

Ik krijg er een in mijn vizier en probeer hem te pakken te krijgen. Hij gaat er met het laatste, stevig tegen de borst gedrukte exemplaar vandoor. Het ziet ernaar uit dat hij hem naar zijn ouweheer moet brengen.

‘Man, ik moet hem naar mijn ouweheer brengen,’ zegt hij.

Deze is sneller dan ik, dus probeer ik achter de anderen aan te rennen, maar het blijkt dat alle krantenjongens strenge vaders hebben.

17

‘Ziek worden, want ik sterf van de honger,’ zegt een jongeman die naast een oudere dame zit met een teckel op haar schoot. ‘Ziek worden, god nog an toe.’

18

Ik blader De Inheemse Veterinair door, het orgaan van de inheemse veterinairs: er staan een kruiswoordpuzzel die alleen een uiterst geslepen veterinair kan oplossen, een hoofdcommentaar waaruit blijkt dat het niet allemaal koek en ei is met de veterinairs, een kort verhaal waaruit te leren valt hoe de mutatie van een beroerde veterinair in een uitstekende veterinair in zijn werk gaat, een tekst over de seksuele initiatie van veterinairs en een schets waarin iemand probeert aan te tonen dat Franz Kafka een veterinair was en die daar bijna ook nog in slaagt in. In de rubriek Mijn eerste veterinair zijn de ontboezemingen opgenomen van een vijftigjarige vrouw die onlangs iets had met een veterinair. Op de laatste pagina staat verder nog een bloot eekhoorntje.

19

‘Zo jong en nu al veterinair,’ zegt een oudere dame, terwijl ze stevig haar hondenlijn vastklemt.

Bij de volgende halte stapt ze uit en wacht op de volgende bus, waarin haar teckel wordt ingeënt door een volgende veterinair in goeden doen.

20

Veterinairs plegen vele riskante ontvreemdingen. Ze beroven banken, kluizen van grote fabrieken, dronken voorbijgangers en weerloze bejaarden. Dat alles in het kader van het verwerven van geldelijke middelen voor verdere bedrijvigheid.

‘Hoe zagen de overvallers eruit?’ vragen de agenten.

‘Hoezo? Als veterinairs,’ antwoorden de gedupeerden. ‘Jullie weten toch wel hoe een veterinair eruitziet?’

21.

Oog in oog met een veterinair.

‘Onthoud goed: ik ben veterinair, hoewel ik sinds mijn zevende ben opgevoed door doktoren. De kerel die mij uit het weeshuis heeft gehaald was een tandarts. Hij had niet de beschikking over een normale praktijk, maar hij wist een dikzak, de eigenaar van een nachtclub, over te halen om van ’s ochtends zeven tot ’s middags twaalf zijn etablissement ter beschikking te stellen. Tot zijn clientèle behoorde een niet onbemiddeld gezelschap met grote gaten in het gebit. Hij verdiende veel, en veel van wat hij verdiende moest hij afgeven aan allerlei figuren. Daarom is hij veterinair geworden.

‘Veterinair, je hebt me niet overtuigd,’ zeg ik.

‘Je weet niet wat je zegt,’ zegt hij als hij op de negende uitstapt.

22

De plaatselijke Bela Lugosi, een handelaar in uit plunderingen afkomstige voorwerpen, rommelt wat in zijn kleine winkel en veegt het stof van allerlei antieke voorwerpen.

Ik kom binnen en vraag hem hoe de zaken ervoor staan.

‘Het loopt van geen kant,’ zegt hij. ‘De mensen vragen voortdurend naar witte schorten, rubberhandschoenen en allerlei voorwerpen waarvan ik me de namen niet weet te herinneren. Weet jij niet hoe ik aan een grotere hoeveelheid schorten en rubberhandschoenen kom?’

‘Iedereen weet waar je die handel kunt krijgen, maar niemand durft erheen te gaan.’

‘Wil je geen gas tegen eekhoorntjes?’ vraagt hij nog, als ik al op weg ben naar de deur.

‘Gas tegen eekhoorntjes?’

23

‘Ik zei dat je een mooi T-shirt hebt.’
‘Ik heb er zeven.’
‘Zeven mooie T-shirts?’
‘Voor elke dag van de week één.’
‘Vandaag is het donderdag.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’

24

‘Ze hebben ons uitgefloten,’ zegt de zanger van de groep De Toegetakelde Veterinair.

‘Betekent dat, dat jullie tournee is afgeblazen?’ vraagt een reporter van Radio Veterinair.

‘Ik denk het wel,’ kreunt de drummer terwijl hij op zijn stokje bijt.

25

‘We hebben ze ingerekend,’ zegt de commissaris. ‘Ze hadden zich verstopt in berging van de bar De Kreupele Hond (dat ze niet denkt dat er mij niets aan haar gelegen is.) Ze brachten daar al hun vrije tijd door. Ze hadden veel vrije tijd, want de beesten zijn dit jaar gezonder dan gewoonlijk.

De commissaris wijst op vier afgetuigde veterinairs die twee aangeschoten veterinairs dragen.

Mij interesseren die twee.

‘We moesten ze wel aanschieten, want ze boden verzet en spraken complete onzin,’ zegt een maat van de commissaris. ‘Ze dreigden ons met eekhoorntjes.’

‘Ik heb zelf geschoten, want ik kon het niet langer aanhoren,’ voegt de commissaris eraan toe.

Ik zie dit alles bij mijn buurman. Ik heb mijn tv de deur uitgedaan, toen ze drie series over veterinairs tegelijk uitzonden.

Ik had gehoord dat het mijn buurman was die mijn telelevisie van de vuilstort voor het huis waarin ik woon had gehaald.

Ik hoor iemand op mijn deur kloppen.

‘Ik moet gaan,’ zeg ik.

‘Volgens mij klopt er iemand op jouw schedel,’ zegt mijn buurman, een fatsoenlijk man. Hij is alleen wat zenuwachtig geworden op het moment dat zijn vrouw er met een veterinair vandoor ging. ‘Blijf toch, zo dadelijk komt er een film over een psychopaat die veterinairs om zeep helpt met hulp van de vrouw van de eigenaar van een fabriek waar ze rubberhandschoenen maken.’

26

Volgens mij klopt er iemand op mijn schedel.

27

Ze zit op mijn schoot, want ze weet dat ik het lekker vind als zij op mijn schoot zit. Ze kan geen syllabe uitbrengen, dus zit ze maar wat te rommelen in de papieren op tafel. In mijn papieren, op mijn tafel. Ik stroop haar mouwen op om te zien of veterinairs karakteristieke sporen achterlaten op vrouwen die niet van hen zijn.

Rustig maar, jongens, ze laten geen sporen achter.

Ik kijk naar haar mond en vraag me af of die in staat was de zin uit te spreken: ‘O veterinairtje van me.’

Dat kunnen jullie je tot aan jullie verrekte dood blijven afvragen.

Ik haal het vel papier te voorschijn, waarop ik een koe met zwarte vlekken, een biggetje met een krulstaart, een kat zonder vacht en een hond zonder poot heb getekend. Ik vind ook een potlood. Ze kijkt me aan, ze kijkt nu eens naar de hond zonder poot, dan weer naar mij, en ik teken er een poot bij (dat ik niet denk dat er haar niets aan mij gelegen is.) De poot is te groot. Die nacht hebben velen van ons te maken met een te grote of te kleine hondenpoot. Laat die geleerde opmerkingen van jullie maar achterwege. Het is geen vernissage, dit is het leven. Help ze met hun jas en breng ze naar de dichtstbijzijnde taxistandplaats.

28

‘Wat rook jij?’
‘Veterinair.’
‘Met filter?’
‘Met dubbel filter.’

29

‘Wat zoek je?’ vraagt de plaatselijke Bela Lugosi, want volgens mij draal ik wat te lang in zijn winkel.

Nu alles achter de rug is, krijg ik probleemloos alles wat ik nodig heb: een witte schort, rubberhandschoenen en een paar apparaten waarvan ik de namen niet kan onthouden.

De plaatselijke Bela Lugosi is dik en roze.

‘Ik ben dik en roze, want ik verkoop alles twee keer zo duur,’ zegt hij, terwijl hij op zijn buik trommelt.

30

Ik ben op een gemaskerd bal. De mannen hebben zich verkleed als veterinairs en de vrouwen als hun patiënten. Ze kon niet mee, want er kwam een journaliste van De Wereld van de Eekhoorntjes. Ze zit daar nu met haar, geeft een interview en poseert voor foto’s op het omslag van een van de aprilnummers.

April is de maand van de eekhoorntjes.

‘Micky Eekhoorn, man!’ schreeuwt een gozer tegen me. Hij is zo dik dat hij nauwelijks in twee aan elkaar genaaide schorten past.

‘Is dat geen fantastisch idee?’ vraagt hij, terwijl hij met twee nutteloze mouwen zwaait. ‘Zie je het geld?’

Ik zie het niet. Ik zie mannen die zelf bekennen dat ze niet kunnen drinken. Ik zie vrouwen die hun laten zien dat als de veterinairs terugkomen, zij dat nog eens met hen zullen doen.

Ik zie dingen waarover ik zou willen lezen.

31

‘Heb je weleens geprobeerd het van een andere kant te bekijken?’

‘Dat heb ik wel geprobeerd, maar een veterinair belemmerde de hele tijd het uitzicht.’

32

Naast het bed waarin ze ligt te slapen liggen losse nummers van De Wereld van de Eekhoorntjes. Ik lees de herinneringen van een dertigjarige huisvrouw.

‘Ik wist dat zij het waren, de veterinairs. Ik ben naar de overkant gelopen en versnelde mijn pas. Ik was algauw een eind van hen verwijderd, toen ik dat voorstel van hen hoorde. Ik kon er geen nee tegen zeggen. En ik ben met ze meegegaan.’

Ze doet haar ogen open. Ik leg De Wereld van de Eekhoorntjes opzij, ik glimlach en zeg: ‘Kom, laten we de eekhoorntjes gaan voeren.’

‘Ik zal erover nadenken,’ zegt ze met een zucht en met haar hand gaat ze onder haar kussen.

Haar stem is vreemd en het gas waarmee ze me in de ogen spuit ruikt naar zoute pinda’s.

33

Gas tegen eekhoorntjes werd uitgevonden in 1938 door Horatio Herbert, een leverancier van gassen tegen van alles. Eekhoorntjes waren de nachtmerrie van zijn leven.

34

‘Hallo, Eekhoorntje, mijn naam is Jezus Christus,’ zegt een oudere heer in pyjama.

Had hij geen pyjama aangehad, dan zou hij kunnen doorgaan voor de plaatselijke Erich von Stroheim. Als hij straks weggaat, ga ik naar de winkel van Bela Lugosi. Ik heb daar mooie Pruisische uniformen zien hangen.

‘Hier, die zijn voor jou, ik kan niet meer.’

Ik kijk naar de pillen in zijn hand. Ik denk dat Jezus Christus weet waar eekhoorntjes echt op afkomen. Ik hou het niet langer uit en vraag: ‘Hoe ken jij de taal van de eekhoorntjes?’

Na wat hij te horen heeft gekregen lijkt hij nog meer op Erich von Stroheim.

‘Heb ik van zo’n type geleerd,’ zegt hij. ‘Ze heeft het me geleerd en is er toen vandoor gegaan met een veterinair.’

35

Er is een dode bibliothecaris gevonden. Uit zijn lichaam waren de messen getrokken en naast hem neergelegd.

‘Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,’ zei de man die zijn brood verdient met messen tellen.

En dus waren we toen met ons achten.

36

Tegelijk met mij wordt de Onverschrokken Kattendoder uit het ziekenhuis ontslagen. Ze hadden hem samen met een veterinair, die hij ten slotte te pakken had gekregen, in een ambulance gestopt en hem een spuitje gegeven. Hij staat nu bij de uitgang en controleert of ze niets hebben gejat terwijl hij sliep, want hij heeft lang geslapen. Het is al niet meer dezelfde figuur die met een bijl door de straten heeft lopen rennen. Het is ook al niet meer dezelfde jongen die mij uit de les haalde, de bosjes in leidde en drie katten liet zien die aan een stuk ijzerdraad hingen en wachtte tot ik een boterham met kaas uit mijn schooltas zou halen en aan hem zou geven met de woorden: ‘Hier, die heb ik niet meer nodig.’

‘Richard Wagner, jongen,’ zegt hij. ‘Richard Wagner.’

‘Richard Wagner?’ vraag ik.

‘Ja, Richard Wagner,’ herhaalt hij. ‘Ze hebben mijn bandje met muziek van Richard Wagner gejat.’

37

‘Vertel nog eens iets.’

‘Okay, als ik een nootje krijg.’

[eerder verschenen in Tijdschrift voor Slavische Literatuur 35, 2003]